Opstel van John Wervenbos

Wereldbeschouwingen en natuurwetenschappen

 

Scherp staat het me niet bij; herinner me die ene lentedag van 1969 slechts vaag. Liep samen met mijn een jaar jongere broer opgewonden de woonkamer van ons ouderlijk huis binnen. Dat waarmee wij van school thuiskwamen trof onze ouders pijnlijk. Verwonderd luisterden zij toe: "We stammen van de apen af, kijk maar het stuitje, daaraan heeft de staart gehangen!”, weerklonk uit onze kelen.

 

Wij hadden het voor zoete koek geslikt en aapten nu bevreemd en opgewonden apen na... Onze ouders zagen de ernst van de zaak haarscherp in. Het beeld dat de onderwijzer ons geschetst had, had een bitter-zoete nasmaak, liet ons smalen over... het menszijn. Vader deed het verhaal nog eens dunnetjes over en bleek dezelfde mening als de schoolmeester toegedaan. Moeder trok één lijn, knikte, maar zal er toch het hare van gedacht hebben, want ze koesterde andere denkbeelden, zo bleek mij jaren later.

 

Vraag me af hoe kinderen op katholieke en protestantse scholen de evolutietheorie voorgeschoteld kregen. De openbare schooi die ik doorlopen heb, liet mij in ieder geval jarenlang denken dat ik een voortbrengsel van een geëvolueerde diersoort was.

 

Draagwijdte van de waarnemingen

 

Beschikt de volwassene over vergelijkingsmateriaal, is hij zelfstandig tot het vellen van oordelen in staat, dan onderkent hij het waardevolle bestaan van zogenaamde ‘deelwaarheden’, welke zich bij blinde generalisering tot inname van onjuiste standpunten lenen.

 

Bovenstaande tekening:

Twaalf wereldbeschouwingsrichtingen: het idealisme, het rationalisme, het mathematisme, het materialisme, het sensualisme, de fenomenologie, het realisme, het dynamisme, het monadisme, het spiritualisme, het pneumatisme en het psychisme. En zeven wereldbeschouwingsstemmingen: het empirisme, het occultisme, het transcentalisme, de mystiek, het voluntairisme, de logica en het gnosticisme. De inhoud van de richting waarnaar een wereldbeschouwing wijst, wordt in uiteenlopende 'stemmingen' verschillend ...gedacht.

 

Het bestaan omvat alle bestaansvormen (materie, ether, ziel, geest) en in iedere bestaansvorm komen verschijningsvormen tot openbaring. Al de bestaansvormen tezamen vormen die aspecten en verbanden welke een mens naar vraagstukken en verklaringen van zijnswezenlijke (ontologische) aard leiden; een verschijningsvorm biedt verschijnselen en al die verschijnselen tezamen vormen die aspecten en verbanden welke een mens tot vraagstukken en verklaringen van fenomenologische aard voeren.

 

De menselijke gedachten voor een afgrond

 

Begrippen die op voorvallen, processen, verschijnselen, voorwerpen enzovoort wijzen, rijgen zich vandaag de dag in het binnenste van de mens niet vanzelf tot gedachten en ideeën aaneen. Het denkleven van de moderne mens draagt bepaald geen spontaan karakter. Het is nu net alsof hij in zijn psyche, op zoek naar zijn eigen wilsimpulsen, fossiele resten van woorden en begrippen, afgraven en dateren moet; de moderne zelfbewuste mens, die meent te weten wat hij wilt, heeft zulke levenloze woorden en begrippen, kennis-theoretisch onderbouwd, een spiegelfunctie toegekend; woorden en begrippen zijn tot symbolen, herkenningstekens, conventies verheven en vormen zo een instrumentarium waarmee mensen een acceptabel bestaan in een voor hen vreemde werkelijkheid kunnen leiden.

 

Vereniging en scheiding

 

De oude Grieken hielden zich al bezig met de aard van de bouw van het wereldbestaan, de kosmos. In Griekenland werd het streven geboren, de samenhangen van de wereld als geheel door datgene te leren kennen, wat men tegenwoordig gedachten noemt. De Griek ervoer de gedachten, zoals men tegenwoordig een waarneming gewaarwordt, zoals men ‘rood’ of ‘geel’ in een waarneming beleeft. Aangenomen werd dat de van binnen beleefde gedachten van buitenaf ontvangen waren, dat wil zeggen door de wereld, het ‘wereldverstand’ waren aangeboden. Daarom werd van het beleven van de gedachten de onthulling van de wereldraadsels verwacht.

 

Wezenlijk onderdeel van het denken van de Grieken vormden hun gedachten over de scheiding en vereniging van de vorm(kracht) en de materie in relatie tot het voor hen zo wonderlijke fenomeen: de ideeënwereld. Aristoteles (384-322 voor Christus) zag in alle materiële vormen zogeheten verwezenlijkte ideeën en achter alle vormloze voor het gewone bewustzijn, via de fysieke zintuigen, niet direct herkenbare ‘onzichtbare’ materie, de zogenaamde materia prima. De ideeën zag hij in de wereld (wel of niet) verwezenlijkt en in de ziel, de psyche geboren. Binnen het levensbestaan zag hij een sterfproces veroorzaakt door een scheiding van vorm en materie en een geboorteproces door vereniging van materie en vorm. Hierbij moet in acht worden genomen dat hij in ieder idee de werkzaamheid van een vormkracht gelegen zag. Veranderde een materiële vorm van vorm, dan lag daar een levensproces, een groeiproces aan ten grondslag en viel een materiële vorm in delen uiteen dan was dat de uitdrukking van een sterf-, een vernietigingsproces. De bestudering van materiële vormen bleef hoofdzakelijk tot dat beperkt, wat men tegenwoordig ‘macroscopische voorwerpen’ pleegt te noemen. Het fenomeen van de vormvergroting enerzijds en de noodzaak van het bestaan van kiemdragers anderzijds, voerde Aristoteles tot een bepaling van de wezensaard en de zijnsgraad van een materiële vorm. Aan de grootten van de vorm las hij de zijnsgraad van het verwezenlijkte af en aan de veranderingen van de vorm de wezensaard van het zijnde. Het wezenlijke hield hij voor een openbaring van de idee (in de psyche) en het zijnde als diens uitdrukking in de materie.

 

Plato (427-347 voor Christus) richtte zijn aandacht voornamelijk op het wezenlijke achter de materiële vorm. Dat voerde hem tot een zuiver ideeënrijk. Aristoteles sloeg vooral acht op het wezenlijke in de materiële vorm. Dat leidde hem naar een zijns - wezenlijke realiteit, een verwezenlijking van de idee tot uitdrukking gebracht in de materie. Hij introduceerde het hylemorfisme. Met betrekking tot de materie ging Aristoteles uit van een bepaalde oerstof, de reeds genoemde materia prima. Vereniging met een idee zou in een deel van de materia prima een bepaalde vorm, de ontwikkeling van een materiële vorm te zien geven. Het wezenlijke van de vorm vatte hij daarbij op als het zijnde van de idee. Thomas van Aquino (1227-1274) duidde deze aldus gevormde materiële vorm later met het begrip materia secunda aan. Ook de inwendige structuur van de materia secunda zag Aristoteles bepaald door het vormprinciep, de causa formalis, de idee, welke zich met de materia prima verenigt. Wel zij hierbij uitdrukkelijk vermeld dat Aristoteles voor de ontwikkeling van het gelijksoortige het model en het draagvlak van het gelijksoortige benodigd achtte. Dat leidde zijn aandacht naar een substraat, de erfelijkheidsmassa. Viel een vereniging van materiële vormen, welke een samensmelting van erfelijkheidsmassa tot gevolg had, met de vereniging van de idee en de materia prima in een knooppunt samen, dan was er sprake van een conceptie.

 

Demokritos (460-371 voor Christus) vestigde zijn aandacht op het zijnde van uiteenvallende materiële vormen en niet op het wezenlijke daarvan, de scheiding van materie en vorm(kracht). Gefixeerd op het zijnde van uiteenvallende materiële vormen viel de bestaansbron en ontwikkelingsgeschiedenis van de materiële vormen buiten zijn gezichtsveld. Zo kwam hij op de gedachte dat het uiteenvallende ook het samenstellende zou kunnen, sterker nog, zou moeten zijn; dode, ondeelbare stofdeeltjes, welke door hun verschillende combinaties de dingen van de buitenwereld samenstellen. Ze bewegen zich van elkaar, tot elkaar, door elkaar: zo ontstaan de natuurverschijnselen. Zijn denkbeelden vormden een voorbode van het huidige materialisme.

 

In de tijd van het ontstaan van het Christendom trad een nieuwe fase in de ontwikkeling van het filosofische denken in. De mens kon in zijn binnenste de gedachten niet meer als een waarneming uit de uiterlijke wereld, het wereldverstand, ervaren. De gedachten werden nu als een louter product van het eigen innerlijke wezen gevoeld. De mens werd in de ware zin van het woord de totale omvang van zijn zieleleven als ‘ik’ gewaar. De filosofische denkers van deze tijd doken met het filosofische denken volledig in de religieuze voorstellingen (God, goden, Satan en duivels enzovoort) onder. In een paar eeuwen tijd werd de volle denkinhoud van de ideeënwereld, filosofisch gesproken was in de eerste drie eeuwen na Christus het neoplatonisme en het scepticisme nog heersend, ingeruild voor geloofsvoorstellingen die betrekking hadden op een geestelijke (voort)bestaanswereld. Afhankelijk van geloof en openbaring wisten zij zich weer in een groter wereldgeheel ingeschakeld. Denk bijvoorbeeld aan Augustinus (354-430). De gedachten ontwikkelden zich verder in het verborgene, in de warmte van het religieuze bewustzijn. Zo verliepen de eerste zeven tot acht eeuwen na de grondvesting van het Christendom.

 

De volgende fase toont een volslagen ander karakter. De leidende filosofen voelden de kracht van het gedachteleven weer ontwaken. Hoe zich in het gedachteleven iets uitspreken kan, wat niet enkel door de psyche bedacht is, werd het hoofdvraagstuk van de filosofen van dit tijdperk. Men onderzocht het wezenlijke van de gedachten. De geestesstromingen van het nominalisme, het realisme, de scholastiek, de middeleeuwse mystiek: ze openbaren dit grondkarakter van de filosofie van dit tijdperk. Er werd een grandioze poging gedaan het gedachteleven op zijn werkelijkheidskarakter te toetsen.

 

De filosofische fase waarin wij ons nu bevinden begon in de zestiende, zeventiende eeuw. Daar begon het streven, de natuur zo voor te stellen, dat in deze voorstellingen niets van dat vermengd raakt, wat de psyche uit zichzelf en niet uit de natuur haalt. Daarmee deed de wetenschapsmethode van het huidige empirisme zijn intrede. Denk daarbij met name aan de denkbeelden van Francis Bacon (1561-1626) en John Locke (1632-1704) en het transcendentalisme (...zijn praktische en zijn zuivere rede) van Immanuel Kant (1724-1804). De beklemming van de menselijke psyche is daarin gelegen, dat haar het gevoel bekropen heeft, dat ze er borg voor zou moeten staan, dat alles wat ze vanuit zichzelf zeggen kan, ook slechts voor zichzelf betekenis heeft en geen verwijzing bevat naar een wereld, waarin ze lichamelijk, psychisch en geestelijk toch wel degelijk wortelt In de beelden van de natuur die haar tegemoettreden kan een zelfbewuste, krachtige, expressieve psyche niets van zichzelf terugvinden; nimmer kan zij zich in de ‘volheid’ van de huidige natuurwetenschappelijke denkbeelden vinden. Niet voor niets neemt in onze cultuur 's mens vervreemding van zichzelf en van de wereld een zeer hoge vlucht!

 

Natuurwetenschap en biochemie

 

De natuurwetenschappen kwamen niet zo maar uit de lucht vallen. Vandaag de dag denkt menig natuurwetenschapper de natuur opgebouwd uit atomen en aaneenliggingen van atomen, moleculen; bouwstenen van organische en anorganische materie. Materiële vormen welke zich, macroscopisch en microscopisch bezien, voortplanten, aanpassen en instandhouden acht men voornamelijk uit organisch materiaal opgebouwd. Stoffen in het mineralenrijk, welke niet uit het ontwikkelings - en ontbindingsproces van planten, dieren of mensen voortgekomen zouden zijn, duidt men met anorganische materiaal aan. Daarbij dient te worden opgemerkt dat men de moleculen van organisch materiaal, welke buiten de moleculen gelegen atomen een bepaald gedrag zouden voorschrijven, aan de basis ziet staan van de vorming van substantiële kiemdragers. Met het huidige DNA onderzoek meent men dit tot op de bodem te kunnen uitzoeken.

 

Paradoxaal genoeg denkt men dat organisch materiaal ‘in den beginne’ uit anorganisch materiaal ontstaan moet zijn. Daarbij wordt gedacht aan een zogenaamde oersoep, een zee van atomaire en moluleculaire samengesteldheden, waarover een dikke, sterk elektrisch geladen atmosfeer uitgespreid lag. Via die atmosfeer stond deze oersoep aan verschillende kosmische stralingen bloot. Een molecuul die een aantal buiten het molecuul gelegen atomen een bepaald gedrag voorschrijft, zou moeten zijn ontstaan uit atomen die andere atomen tot een bepaalde aaneenschakeling dwongen. Dat leidde tot de hamvraag: wat voor atomen laten zich aaneenschakelen en welke atomen schrijven deze aaneenschakeling voor, dwingen tot deze aaneenschakeling? Zo nam men de atomen nu in een ander licht onder de loep. Men zocht de verklaring in van elkaar verschillende samengesteldheden van de ato-men. De krachten die de verschillende delen van een atoom binnen het atoom op elkaar uitoefenden gaven het atoom een bepaalde inwendige en uitwendige dynamiek. Overheerste een naar binnen gerichte dynamiek, dan was het atoom traag en energievol; overheerste een naar buiten gerichte dynamiek, dan was het atoom snel en instabiel. En daarmee was het antwoord gegeven: de snelle, instabiele atomen lieten zich rangschikken en aaneenschakelen door de trage, energievolle atomen (binnen een uitdijend heelal).

 

In feite werkt men met vier grootheden, namelijk: massa, volume, kracht en energie. Wordt het volume van een bepaalde eenheid massa van een hemellichaam, voorwerp, molecuul, atoom of deeltje kleiner of groter, dan zal de energie van dat hemellichaam, voorwerp, molecuul, atoom of deeltje evenredig toe of afnemen. Met bepaalde denkbeelden over macroscopische gravitatie- en elektromagnetische krachten en microscopische zwakke en sterke kernkrachten borduurt men hierop voort. Nu is men op zoek naar één superkracht, welke de genoemde vier in zich verenigd heeft. Aristoteles en Thomas van Aquino gingen hen al voor: de superkracht die zij zoeken is de ideeël-reële en reël-ideële vormkracht, waarachter zoveel schuil gaat...

 

Zou een mens als Aristoteles naar deze tijd verplaatst worden en zijn aandacht richten op de denkbeelden en onderzoeksresultaten van de huidige natuurwetenschappen, dan zou hij verschrikt uitroepen: ‘Maar ze onderzoeken slechts de restantstukken en uitvloeisels van de materia secunda met de daarbij behorende erfelijkheidsmassa. En die zogeheten oersoep zullen zij alleen, de idee indachtig, in de materia prima kunnen vinden...!’ Omstanders zouden naar een dwangbuis uitkijken en antwoorden: ‘Wat wij voor en na uw tijd eeuwig zullen blijven onderzoeken en bewustworden zijn de schone wetmatigheden van de zich altijd weer herhalende kosmische oerknal...’

 

Innerlijk beklemd, situaties niet meester, handen en voeten die slap langs het lichaam hangen; ...wie o wie is in een verlamming teweegbrengend keurslijf gedrongen?

 

Literatuur

Retorica & empirisme

 

Inleiding (Henk van der Velde en John Wervenbos)

  1. De aanleiding voor het schrijven van het artikel

     

Gedicht (John Wervenbos)

  1. Verwelkt

     

Opstel (Henk van der Velde)

  1. Wetenschap als moderne religie (een impressionistische kenschets)

     

Opstel (John Wervenbos)

  1. Wereldbeschouwingen en natuurwetenschappen

     

Website laatst bewerkt: 4-1-2014 door J. Wervenbos te Rotterdam

Kanttekeningen