Opstel van Henk van der Velde

Wetenschap als moderne religie (een impressionistische kenschets)

 

In onze samenleving is wetenschap algemeen aanvaard als dé bron van kennis. Kennis die, zo wordt verondersteld, aantoonbaar waar is. Zo wordt in het, aan de basis van dit artikel gelegen, krantenbericht gesproken over nuchtere wetenschap, die inspiratie put uit waarneming, experiment en gezond verstand en die zich geplaatst ziet tegenover de mystiek van het Oude Testament met het voorrecht een verlossend antwoord te geven op de vraag naar het ontstaan van het leven.

 

Deze idealisatie van de wetenschap, die haar met de kwaliteit 'leidend tot ware kennis' een enorm gezag toedicht, heeft onder andere geleid tot een veelvuldig gebruik van het adjectief ‘wetenschappelijk’ bij het aanprijzen van producten (in de ruimste zin des woords), die in de vermeende glans van onomstotelijk vaststaande waarheid natuurlijk extra cachet krijgen.

 

In de laatste opmerking klonk reeds enig sceptisme door dat typerend is voor de wetenschapsfilosofie, een tak van de wijsbegeerte die zich bezint over de aard en waarde van wetenschap als bron van kennis. Wetenschapsfilosofen construeren theoretische modellen in een poging de werkwijze van de wetenschappers uit heden en verleden te beschrijven en te analyseren, om vervolgens tot een evaluatie van de wetenschap te komen.

 

In het nu volgende deel komen twee relatief eenvoudige modellen aan bod, die het uitgangspunt vormen voor de overgang naar een meer gecompliceerd model, waarbij de grens tussen wetenschap en inferieure kennisbronnen lijkt te vervagen

 

Inductivisme en falsificiationisme

 

Het inductivisme bestempelt de zuivere, onbevooroordeelde waarneming als hecht fundament van de wetenschap. Uit een groot aantal waarnemingen, gedaan onder een grote verscheidenheid aan omstandigheden, kunnen algemene uitspraken afgeleid of geïnduceerd worden, die geschikt zijn voor het doen van betrouwbare voorspellingen en gerekend kunnen worden tot de wetenschappelijke kennis. Als waargenomen wordt dat in velerlei opzichten van elkaar verschillende voorwerpen bij loslating, ongeacht de omstandigheden waaronder dat gebeurt, steeds naar beneden vallen, dan is volgens de inductivist de algemene uitspraak "voorwerpen vallen naar beneden" gerechtvaardigd.

 

Alle aanhangers van het falsificationisme zoals Karl Popper, daarentegen, trekken de overgang van een eindig aantal waarnemingen naar een algemene uitspraak, die iets zegt over een oneindig aantal gebeurtenissen, (terecht) in twijfel en stellen dat een of meerdere waarnemingen een algemene uitspraak nooit kunnen bevestigen, maar wel kunnen weerleggen of falsifiëren. Zo kan een eindig aantal waarnemingen van naar beneden vallende voorwerpen nooit de mogelijkheid uitsluiten dat er ooit eens een voorwerp naar boven valt, maar wel kan een enkele waarneming van een naar boven vallend voorwerp de algemene uitspraak “Alle voorwerpen vallen naar beneden” volledig tenietdoen.

 

Wetenschap ontwikkelt zich volgens het falsificationisme door gewaagde algemene uitspraken als waar aan te nemen en door te proberen deze met behulp van de zuivere waarneming te weerleggen, waarna meer verfijnde algemene uitspraken ervoor in de plaats komen en de werkwijze zich kan herhalen.

 

Het probleem van de waarneming

 

Zowel het inductivisme als het falsificationisme zijn op verschillende punten bekriti-seerd. Eén daarvan is de essentiële rol die de objectieve waarneming bij beide speelt. In het geval van het inductivisme legt zij de basis voor het doen van algemene uitspraken en in het geval van het falsificationisme levert zij het materiaal op waarmee gewaagde hypotheses weerlegd kunnen worden.

 

Het valt echter te betwijfelen of er zoiets als zuivere, onbevooroordeelde waarneming bestaat. De resultaten van een aantal uitgevoerde experimenten doen vermoeden dat hetgeen wordt waargenomen voor een niet onaanzienlijk deel wordt gekleurd door de kennis, ervaringen en verwachtingen van de waarnemer. Het is deze problematiek die ik lees in John’s “Maar die compost buiten mijn zintuigen kan ik niet gewaarzijn, is voor mij een leven en dood waaraan ik niet deelneem.” (uit ‘Verwelkt’).

 

Een ander belangrijk punt is het volgende: wil de waarnemer het door hem waargenomene toegankelijk maken voor het publiek, dan zal hij zijn waarnemingservaringen moeten verwoorden. Hij stuit daarbij op het probleem dat hij aangewezen is op begrippen die , hoe dan ook, deel uitmaken van een of andere theorie en dat de juistheid en nauwkeurigheid van zijn verwoorde waarnemingen of waarnemingsuitspraken bepaald worden door de juistheid en nauwkeurigheid van de theorie die aan de door hem gebruikte begrippen ten grondslag ligt. Zouden immers moderne biochemici en Indianen, na een blik door een microscoop geworpen te hebben, niet juist door hun verschillende theoretische voorkennis tot andere waarnemingsuitspraken komen?

 

De kwaliteit van de waarnemingsuitspraken staat of valt met de kwaliteit van de daarin gebruikte begrippen en die wordt op haar beurt weer bepaald door de kwaliteit van de ‘voedingsbodem’ waaraan de begrippen hun betekenis ontlenen. Hoe moeten we ons deze ‘voedingsbodem’ voorstellen? Niet bijvoorbeeld als een verzameling definities, want definities bevatten zelf ook weer begrippen en verplaatsen het probleem dus alleen maar.

 

Ludwig Wittgenstein stelde dat de manier waarop woorden gebruikt worden in een zogenaamd ‘taalspel’; dat is het taalgebruik behorende bij een menselijke activiteit, hun betekenis bepaalt. Hij verduidelijkte zijn standpunt met een metafoor: de functies van de verschillende gereedschappen in een gereedschapskist worden duidelijk als men de timmerman bezig ziet in zijn werkplaats. Zo krijgen ook woorden en zinnen hun betekenis door de manier waarop de spreker c.q. schrijver ze aanwendt in zijn ‘taalspel’.

 

De volgende paragraaf maakt duidelijk hoe dit idee geïmplementeerd kan worden in een modernere wetenschapsopvatting, maar voordat we daartoe overgaan eerst nog een belangrijk punt. Een kernprobleem bij Wittgenstein’s theorie is namelijk dat bij haar formulering zelf gebruik wordt gemaakt van een ‘taalspel’ en dus de hantering ervan wordt voorondersteld! Wittgenstein loste dit op door zijn theorie een zelfdestructief karakter te geven: nadat zij de mens heeft getoond hoe betekenis opgevat moet worden verdwijnt zij in het niet, zij heeft immers geen recht van bestaan. Een soort van “Deze boodschap vernietigt zichzelf na dertig seconden ...één, twee, drie...” dus. Een tweede oplossing van dit probleem, overigens even kunstmatig als de eerste, zal besproken worden in de laatste paragraaf.

 

Wat nu vooral de aandacht verdient is het feit dat binnen een geponeerde theorie nooit de eigen positie vergeten mag worden. Men kan immers als door een boemerang pijnlijk aan het achterhoofd getroffen worden, zoals de vrouw die zei: “Ik heb van de dokter gehoord dat bij veel mensen van mijn leeftijd de oren achteruit gaan,” waarop de man antwoordde: “Misschien heb je hem wel verkeerd verstaan.”

 

Conventionalisme

 

De theoretische lading van de waarneming maakt duidelijk dat er sprake is van een wisselwerking tussen theorie en empirie en dat deze twee grootheden nooit volledig van elkaar gescheiden kunnen worden op een manier zoals de inductivisten en falsificationisten zich dit voorstelden.

 

De wetenschapsfilosofen Imre Lakatos en Thomas Kuhn beschouwden het aanhangen van een bepaalde wetenschappelijke theorie dan ook als een conventie. De verzameling fundamentele hypotheses, die de aard van de theorie bepaalt, wordt door wetenschapsbeoefenaren a priori als waar aangenomen, dienend als uitgangspunt voor hun verdere onderzoekingen. De totale structuur van de betreffende theorie vormt dan het decor waartegen de begrippen uit de waarnemingsuitspraken ieder een rol spelen die zich laat vertalen naar hun (gedeeltelijke) betekenis, analoog Wittgenstein’s principe van het ‘taalspel’, en naarmate deze structuur meer samenhang vertoont klinken de begrippen ook gepronoceerder.

 

We zijn beland bij een opvatting van de wetenschap, waarbij het subjectieve element van de keuze een rol speelt en dit zal diegenen, die wetenschap intuïtief verbinden met objectiviteit, waarschijnlijk verrassen. Bovendien is niet recht duidelijk meer waarom wetenschap, geplaatst in het licht van de conventie, nog superieur zou zijn aan bijvoorbeeld religie, met het geloof in een Schepper als fundamentele aanname.

 

Anarchisme

 

De titels boven de afzonderlijke paragrafen van dit artikel vormen, met uitzondering van “Het probleem van de waarneming”, eigenlijk een aflopende reeks, een anticlimax, in die zin, dat de wetenschap onder elk van de wetenschapsfilosofische stromingen waarnaar verwezen wordt meer van haar monopolie op ware kennis moet inleveren.

 

Zo was het de persoon die in deze paragraaf thuishoort, de eigenzinnige Paul Feyerabend, die op revolutionaire wijze de scheidingsmuur tussen wetenschap enerzijds en overige kennisbronnen, waaronder religie, anderzijds wegbrak en het vooroordeel dat wetenschap de exclusieve belichaming van rationaliteit zou vormen radicaal overboord zette. Om zijn standpunt te begrijpen dienen we weer terug te keren naar de problematiek van de waarnemingsuitspraken.

 

Zoals reeds eerder betoogd, ontlenen de begrippen uit de waarnemingsuitspraken hun betekenis aan de rol die ze vervullen in een gestructureerde theorie. Hoe, zo vroeg Feyerabend zich af, moeten we twee rivaliserende theorieën vergelijken die in fundamenteel opzicht zo van elkaar verschillen, dat voor de begrippen van de ene theorie geen synoniemen zijn dan te wijzen in de andere theorie? Om het in zijn eigen 'taalspel' te verwoorden: hoe kunnen we twee incommensurabele theorieën, die totaal verschillende waarnemingstalen spreken, logisch met elkaar vergelijken? Hij kon zijn eigen vraag niet beantwoorden en kwam tot de conclusie dat incommensurabiliteit noodzakelijkerwijs het hanteren van meer subjectieve beoordelingscriteria impliceert en dat er nooit een logisch argument voor superioriteit van de wetenschap aangevoerd kan worden.

 

Het summum van zijn kentheoretisch anarchisme bereikt Feyerabend als hij in zijn op sommige momenten karikaturale betoog pleit voor een vrije maatschappij, waar in engere zin "alles kan" en de burgers niet een bepaalde ideologie door de staat krijgen opgedrongen. Na scheiding tussen staat en kerk nu dus ook scheiding tussen staat en wetenschap. “We hoeven niet bang te zijn dat de technologie onder die scheiding zal lijden. Er zullen altijd mensen te vinden zijn die zich liever onderwerpen aan de we-tenschap dan dat ze hun lot in eigen hand nemen. Die lieden zijn zeer wel bereid tot (intellectuele en institutionele) slavernij, zolang men ze maar goed betaalt en zich van tijd tot tijd prijzend uitlaat over het werk dat ze doen.” (Paul Feyerabend in 'In strijd met de methode'.)

 

Een nieuwe logica

 

Het mag niet onvermeld blijven dat ook vanuit de theologische hoek is gereageerd op voornoemd kranteartikel. Niet uit gemakzucht, maar om recht te doen aan de verwoording een citaat: “God valt buiten onze vierdimensionale werkelijkheid. En dat betekent dat alleen in beeldspraak over Hem gedacht en gesproken kan worden. Tegen deze achtergrond vraag ik me af waarom bijbelse waarheden als schepping en zondeval in tegenspraak zouden zijn met de ontdekkingen van de natuurkundigen, dat de kosmos uit het ‘niet’ is voortgekomen. Ik zie die tegenspraak niet. Wie bewijst mij dat dit ‘niets’ niet juist de baarmoeder is van een of andere werkelijkheid die we niet kunnen waarnemen en waar natuurkundigen dus ook niets over kunnen zeggen? Wie bewijst mij trouwens dat die andere werkelijkheid niet dag en nacht op mij inwerkt en dat datgene wat wij oorzaak en gevolg noemen op een ander, onkenbaar niveau niet gewild en gepland is?” (Rex Brico in een van zijn ‘Geloofsbrieven')

 

De vraag dringt zich op in hoeverre de overtuiging dat waarheid het doel van de wetenschap vormt houdbaar is. Voor zover gesteld wordt dat waarheid hetzelfde is als overeenstemming met de feiten betekent het zich vrij gemakkelijk manifesterende fenomeen van de logische paradox een ernstige ondermijning. In de constructie:

A: “Zin B is waar.” B: “Zin A is onwaar.”

moeten zin A en zin B beide zowel waar als onwaar zijn, hetgeen in strijd is met de klassieke logica.

 

Alfred Tarski trachtte dergelijke moeilijkheden te omzeilen door onderscheid te maken tussen verschillende taalniveaus, waarbij op ieder taalniveau slechts gesproken kan worden over zinnen uit lager gelegen niveaus en over de feiten waarnaar deze verwijzen. Beschouwen we op deze manier zin A en zin B als behorend tot een bepaald taalniveau, dan is interferentie niet langer meer mogelijk.

 

Projectie van dit principe op Wittgenstein’s betekenisleer stelt deze op een hoger ‘taalspelniveau’ dan de taalspelen die erin besproken worden. Zij hoeft niet te verdwijnen, maar moet zich gewoon boven haar eigen wetten verheffen.

 

Het is al gezegd, deze manier om paradoxen te vermijden is te gekunsteld om werkelijk te kunnen bevredigen en eigenlijk nog minder elegant dan Tarski’s suggestie om het begrip waarheid eenvoudigweg als axioma te accepteren.

 

Net zoals bij het conventionalisme tendeert de mens hier, in zijn onmacht met puur logische middelen tot een standpunt te komen, naar het bevestigen van een soort handgreep, waaraan bij verdere oriëntatie kan worden vastgeklampt. En van de filosofen die hier ter sprake zijn gekomen, ‘schimmatisch’ weergegeven als ze zijn, lijkt Feyerabend er op te wijzen dat mensen bij het kiezen van een geschikt bevestigingspunt zoveel meer kunnen, grijpen naar de sterren, juist vanwege dat mens-zijn, zonder te vragen naar het hoe en waarom. De rechtvaardiging schuilt in het ervaren, dat is een nieuwe logica, die nog zo weinig aanhang vindt.

 

 

Literatuur

Retorica & empirisme

 

Inleiding (Henk van der Velde en John Wervenbos)

  1. De aanleiding voor het schrijven van het artikel

     

Gedicht (John Wervenbos)

  1. Verwelkt

     

Opstel (Henk van der Velde)

  1. Wetenschap als moderne religie (een impressionistische kenschets)

     

Opstel (John Wervenbos)

  1. Wereldbeschouwingen en natuurwetenschappen

     

     

Website laatst bewerkt: 4-1-2014 door J. Wervenbos te Rotterdam

Aanvullingen