Visie

Visie

 

Een wereldbeschouwing kan een mens wel of niet aanspreken en er bestaan vele wereldbeschouwingen. Vanaf het twintigste levensjaar wordt duidelijk tot welke wereldbeschouwingen men zich aangetrokken voelt. Een oplettend mens kan dit bij de mensen om zich heen vaststellen.

 

Veel mensen valt het echter bij zichzelf niet op; van binnen en van buiten lijken zij niet veel te veranderen, zij luisteren of lezen niet noemenswaardig meer dan voorheen. Maar aan de manier waarop zij de mening van een ander delen of niet delen valt toch wel een verandering te bespeuren. Zij worden gevoeliger voor die mening van de ander en dat uit zich bij het aanhoren of lezen in gevoelens van verwondering, huivering enzovoort. Met andere woorden vanaf zo ongeveer het twintigste levensjaar werkt de mening van een ander prikkelend, wordt op onbewuste wijze als het ware afgetast, afgewogen en aangevoeld hoe die mening, die opvatting de eigen persoonlijkheid aanspreekt.

 

Wat over een onderwerp, een voorwerp, een voorval, of een gebeurtenis, kortom de inhoud van levenservaringen, vertelt kan worden vormt een onderdeel van het bevindingverslag van een wereldbeschouwing. Wat over een onderwerp, voorwerp, voorval of gebeurtenis kan worden gesteld aan gewenstheid of ongewenstheid vormt een onderdeel van de ethische gezindheid van een wereldbeschouwing. En de mate waarin en de wijze waarop een onderwerp, voorwerp, voorval of gebeurtenis kenbaar of niet kenbaar wordt geacht, vormt een onderdeel van de kennistheorie van een wereldbeschouwing.

 

Een wereldbeschouwing valt inhoudelijk dus in drie delen uiteen, namelijk:

  • het bevindingverslag
  • de ethische gezindheid;
  • de kennistheorie.

 

Slechts enkele mensen stellen een kennistheorie van een visie op of bestuderen deze, al heel wat meer mensen leggen zichzelf rekenschap af over het ethische gehalte en de ethische consequenties die verbonden kunnen zijn aan de visie die zij huldigen of geneigd zijn te huldigen en veruit de meeste mensen brengen zichzelf en elkaar een verslag van bevindingen uit van de ervaringen die zij opdoen aan de hand van de visie die zij leven of waardoor zij geleefd worden.

 

Nu kan er gemakkelijk worden tegengeworpen en het heeft ook zin om dat te doen, dat het toch de mens zelf is, de menselijke persoonlijkheid, die over onderwerpen, voorwerpen, voorvallen en gebeurtenissen dingen vertellen kan, verslag kan doen; kan zeggen wat wel of niet gewenst is of wat wel of niet gekend kan worden. Een persoonlijkheid immers, met een eigen ik, kan zelf denken en waarnemen en zelf spreken en handelen. Wat zou hij zich gelegen moeten laten liggen aan dat wat hem wel of niet zou kunnen aanspreken aan meningen en oordeelvellingen van een ander mens?

 

Het antwoord hierop luidt: het is eerbiedige aandacht (met daarin gelegen bescheidenheid), vergelijk het Duitse begrip Andacht, welke een mens buiten zichzelf doet treden, hem er toe aanzet naar een ander te luisteren en met een ander te spreken en van gedachten te wisselen en dat brengt weer met zich mee dat hij op een goede, verantwoorde en aangename wijze met medemensen kan samenleven en samenwerken.

 

Pas na het dertigste levensjaar en in het bijzonder rond het vijfendertigste levensjaar en de jaren daarna wordt het vermogen om zelf meningen te vormen voor de verwezenlijking van bepaalde doelen direct aangewend. Tussen het twintigste en dertigste levensjaar, die jaren kunnen natuurlijk niet zo precies worden aangeduid maar over het algemeen vormt dit toch wel een goede richtlijn, overheersen in de persoonlijkheid nog de gedachten van lof of afgrijzen, opbouwende of afbrekende kritiek op wereldbeschouwingen, meningen of opvattingen die zich van buitenaf, via de medemens, kant en klaar of verbrokkeld bij hem hebben aangediend.

 

Een jong volwassene bevindt zich nog in een fase van eigen meningsvorming en me-ningsuiting; voor echte kennis, echte wetenschap moet hij volop in het leven gaan staan, echte levenservaringen opdoen en dat doordringen met het commentaar dat hij in meer of mindere mate levert op de wereldbeschouwingen de meningen en de opvattingen van zijn medemens, die net als zijn eigen levenservaringen verwijzen naar en verbonden zijn met soortgelijke of aanverwante onderwerpen, voorwerpen, voorvallen en gebeurtenissen. Door alle levensfasen heen heeft de mens te maken met levensvisies van andere mensen. Er wordt heel veel gepraat en beweerd, geschreven en betoogd om het eigen gelijk uit te dragen. Dat is dagelijkse praktijk. De mens als persoonlijkheid kan maar beter rekening houden met de overredingsdrang van menig medemens. Want die drang kan heel ver gaan.

 

Nu leert het leven nog twee dingen, namelijk:

  1. Niet eigen of andermans gelijk of ongelijk, maar dat wat met dat gelijk of ongelijk gedaan wordt zegt iets over iemands moraliteit.
  2. Een goed oordeel op basis van gezonde ideeën blijkt later een juiste mening.

     

Om met het eerste te beginnen, hoe eng begrenst zou het leven van een mens zijn als hij zich niet vergissen mocht. Wie kan er zich op beroepen dat hij het altijd bij het juiste eind heeft?

 

Mensen die alleen prat gaan op eigen of andermans gelijk of ongelijk, worden manipulanten of zijn gemanipuleerden.

 

En wat het tweede betreft: al van jongs af aan wordt een mens door medemensen dingen over het leven bijgebracht. Tot aan het moment dat een mens zelf oordelen velt, neemt hij de oordeelvellingen van een ander in zich op en leeft ze...

 

Dat een mens die zelf nog niet oordeelt van de ene mens wel iets aanneemt en van de andere medemens niet, ligt aan de volgordereeks en de inhoud en de reikwijdte van de oordeelvellingen die tot hem zijn uitgesproken. Het opgenomen oordeel van de ene mens loopt qua opname en aanname of afwijzing vooruit op het oordeel van weer een ander mens. De eerste opvatting kan de tweede opvatting reeds insluiten of bij voorbaat uitsluiten en de tweede opvatting kan de eerste opvatting aanvullen, maar niet omgekeerd. De eerdere zal de volgende afwijzen of aannemen; de volgende zal de eerdere aanvullen of zal door de vorige zijn afgewezen. Deze kettingreactie vormt het basisprincipe van wat men in de psychologie conditionering noemt.

 

Nu is het van groot belang of het opgenomen eerste oordeel, dat zich op de gekenschetste wijze vertakt en uitbreidt, wel of niet tegen de werkelijkheidszin van de aanvankelijk naïeve persoonlijkheid ingaat. Als dit het geval is en de protesten van de nog onbewuste persoonlijkheid worden onderdrukt en het oordeel toch wordt opgedrongen, zal de persoonlijkheid onder invloed van dwanggedachten tot dwanghandelingen worden aangezet. Maar als zijn protesten door weer een ander mens worden opgemerkt, naar juiste waarde worden geschat en met begrip en met inzicht worden tegemoet getreden kan het voorstellingsleven en het daaraan verbonden gedrag van de belemmerde naïeve persoonlijkheid misschien worden bijgesteld en kan hij zo alsnog in staat worden gesteld zich vrij te ontwikkelen.

 

 

Website laatst bewerkt: 4-1-2014 door J. Wervenbos te Rotterdam

Kanttekeningen

 

Tekst volgt nog.